Eind vorige eeuw was ik een periode gegrepen door tijdgebonden, tijdelijke, kunst. Of misschien is kunst van voorbijgaande aard een betere omschrijving. In het Engels zijn er ook mooie termen voor: ephemeral art, eendagskunst dus, of time based art. Hoewel ik nu de termen verwar, was ik er destijd volop mee bezig. In mijn atelier maakte ik bijvoorbeeld een enorme hoeveelheid (meer dan 90) vierkante tegels ‘huid’ van latex. Daarachter plaatste ik afbeeldingen van met uitsterven bedreigde dieren, geknipt uit de tijdschriften van o.a. het Wereld Natuur Fonds en Artis. In het midden waren afbeeldingen van mijzelf gepland. Bedoeling was daarmee een soort zichzelf voortplantend gordijn te maken dat van de vloer tot het plafond van een grote hal zou reiken en in de loop der jaren onder invloed van het licht ondoorzichtig en brokkelig zou worden.
Voordat ik dat echter volledig kon realiseren, kreeg ik de kans om ruim 3 maanden in een huis met atelier van de Kröller Müller Stichting in een Zuid-Frans bergdorpje (Maison Jaune, Murs) te verblijven. Daar dronk ik blijkbaar erg veel bronwater. Zelfs zoveel, dat ik met de verzameling lege petflessen een overvloedige waterval kon installeren op de wenteltrap naar mijn atelier. Op de buitendeur plaatste ik een bordje “Cascade a la maison, entree Ff 3,-”. Er kwamen dagelijks veel bejaarde toeristen voorbij, maar slechts Mr. André, cavalerist en royalist in hart en nieren, bracht een bezoek.
Intussen las ik de complete brieven van Vincent aan zijn broer Theo, vol van het romantische kunstenaarsideaal dat met lijden en hoogmoed gepaard gaat, bedacht dat onze hoogstaande kunst vooral voortkomt uit communicatiestoornissen en andere mislukkingen (gewoon loodvergiftiging, begrijp ik nu), schreef in rap tempo tien verhalen over gesjeesde kunstenaars en besloot uiteindelijk mijn carriere als beeldend kunstenaar ter plekke te beeindigen. Wat je noemt kunst van voorbijgaande aard.
Deze lange inleiding is bedoeld als opmaat naar een belangwekkende vraag: is het nu de bedoeling tijdelijke/tijdgebonden kunst te bewaren, of moeten we juist blij zijn dat er zoveel van voorbijgaande aard is? Daar is natuurlijk al veel over nagedacht, gesproken en gepubliceerd. het is wel een vraag die actueel blijft.
Op de Linkedin groep van Museums and the Web is Anna Bates een discussie gestart over ‘The Conservation of Durational/ Ephemeral Art.’ Ze opent met de vaststelling dat ‘een conservator/restaurator kunstwerken beschermt, behoudt en restaureert, nietwaar?’ Ze geeft vervolgens aan geïnteresseerd te zijn in kunst die bedoeld is, meteen of na verloop van tijd, te vervallen, vervagen of verdwijnen. Kunstwerken die niet bedoeld zijn te blijven. Wat is dan de rol van de conservator? En welke invloed heeft dit op de relatie tussen kunstenaar en instituut? Ze vraagt of iemand haar kan helpen met theorieën dienaangaande, boeken of voorbeelden van time based media kunstwerken en/of kunstenaars.
Op deze vraag antwoordt als eerste Jennifer Trant, mede-voorzitter van Museums and the Web, dat er op de website van de conferentie een aantal papers beschikbaar is. Daarna zijn er diverse leden van de Linkedin groep die suggesties leveren. Waaronder Alain Depocas, van DOCAM (Documentation and Conservation of media arts heritage), waar gewerkt wordt aan het behoud en de documentatie van variabele kunstvormen, en Marieke van der Duin die verwijst naar Vivian van Saaze: “Doing artworks. An ethnographic account of the acquisition and conservation of No ghost just a shell”.
Daar is vast nog veel meer over te zeggen. Ik ben benieuwd naar meer voorbeelden en literatuur hierover.

Marina Raymakers
6 maanden geleden
Eén vergankelijk kunstwerk is me altijd bijgebleven. In 1997 maakte Wim T. Schippers in het Centraal Museum Utrecht een vloer van pindakaas. Dit sprak zeer tot mijn verbeelding en ik fantaseerde daar volop over. Ook omdat er van alles over in de krant geschreven werd, bv. van een groep studenten die de vloer met hagelslag versierden. Dat deed mij dan weer denken aan de boterhammen van mijn broers, die aten deze combinatie ook altijd. De tentoonstelling was overigens al weer weg voordat ik de vloer gezien had. Ik ben eigenlijk wel benieuwd of het concept van dit kunstwerk door het museum is aangekocht en hoe dit werk is gedocumenteerd?
Een paar jaar later werd ik tijdens mijn werk in het Tropenmuseum ook geconfronteerd met vergankelijke kunst. Maar dan in een geheel andere context en betekenis. De Bisjpalen van de Asmat uit Nieuw-Guinea zijn grote en ook zeer fraaie houtsnijwerken. Ze zijn permanent te zien in een hoek van de Lichthal. De Rembrandts van het Tropenmuseum werden ze wel genoemd. Ik herinner me dat bij het ritueel, waarvoor deze Bisjpalen gemaakt zijn, hoort dat de palen in het moeras gelegd worden om te vergaan. Zo gaat de kracht die de palen herbergen weer over in de voedselketen en sluit het de levenscyclus. Hoe kan het dan dat deze palen in het Tropenmuseum staan? Iets dat vergankelijk hoort te zijn wordt hiermee onvergankelijk gemaakt. Wellicht is hier literatuur over te vinden en kan dat helpen bij de zoektocht van Anna Bates?
Sjoerd Jaarsma
6 maanden geleden
Het is interessant hoe begrippen soms verwarrend kunnen werken. Is ephemeral te vertalen als vergankelijk of is het ‘aan een bepaald moment of plaats gebonden’. Zeker is dat een kunstwerk van pindakaas snel zal vergaan, de houdbaarheid is beperkt. Maar zijn de bisjpalen dat in dezelfde zin? Zeker is dat in hun originele setting de palen na hun rituele toepassing weggeworpen werden om te vergaan. Ze werden niet gemaakt om blijvend te zijn: het materiaal waarvan ze gemaakt waren (zachthout) was ook niet lang houdbaar onder tropische condities. Het snijwerk werd snel gemaakt en was ook even snel weer vergeten. De betekenis van de palen was tijdgebonden: het dodenritueel waarbij de ziel van de (meestal belangrijke) overledene samengebracht werd met de voorouders (even beknopt samengevat). Na afloop van het ritueel was er geen belang meer bij de paal en werd deze weggedaan. Dat hield ook in dat noch opdrachtgevers noch makers bezwaar maakten toen Westerse ‘verzamelaars’ de palen meenamen. Zeker niet waar er nog voor betaald werd ook!
Raymakers zoekt een blijvende ‘kracht’ in de palen die over zou vloeien in de voedselketen. Dit is het afbeelden van onze waarden op een object uit een andere cultuur met een eigen waardensysteem en zet ons op het verkeerde been. Voor de Asmat en de Kamoro had de paal belang voor een bepaald moment en plaats. De vergelijking met een afbeelding die ik zoek en oproep op het beeldscherm van mijn computer is treffend. Ik hecht belang aan het bekijken ervan, maar zet ik mijn computer uit dan dump ik de afbeelding. Hij is natuurlijk weer op te roepen wanneer ik hem nodig heb, maar ik zal hem niet noodzakelijk bewaren.
Toch zal ik zelf de bisjpaal bewaren, maar omdat mijn doeleinden andere zijn dan die van de originele maker. Erfgoed – ook dat van de Asmat en Kamoro – heeft waarde in het hier en nu, afgezet tegen mijn eigen waardesysteem en belangen die ik zie. Daarmee grijp ik – niet noodzakelijk – in in het waardensysteem van de Asmat of de Kamoro. Toen de bisjpalen waar hier sprake van is verzameld werden was hun intrinsieke waarde voor de makers al iets gelegen in het verleden, zij waren heel letterlijk op de vuilisbelt geworpen. Gaandeweg werden er ook bisjpalen gemaakt apart voor de ‘verzamelaars’, deze hadden echter geen rituele (en daarmee tijds- en plaatsgebonden) betekenis. Tegenwoordig zijn dergelijke kunstuitingen ook in hardhout en op formaat van de Samsonite-koffer verkrijgbaar. Rembrandt of reproductie? Vast staat wel dat deze bisjpalen nauw aansluiten op mijn (Westerse) verwachtingenpatroon en behoeften (een mooi object op mijn studeerkamer).
Tijds- en plaatsgebonden kunst (ik vind ‘vergankelijk’ een onjuiste term omdat het leidt tot de samentrekking die Raaymakers hierboven maakt) is in principe een punt van interesse bij collectievorming. Wij hebben een cultuur die op een of andere wijze alles vastlegt. Schippers’ vloer van pindakaas is een treffend voorbeeld. Het is vergaan, maar zo uitgebreid omschreven dat het onvergankelijk lijkt. Overigens draagt ook de houtsnijder bij de Asmat en Kamoro zijn kennis over aan zijn leerlingen en ook deze kennis lijkt onvergankelijk.
Is hier een tegenstrijdigheid? Naar mijn mening niet, erfgoed is een hedendaags en Westers iets. Wij bewaren en waarderen erfgoed omdat bewaren een deel van onze cultuur is. Dat betekent echter niet dat als wij iets verzamelen van de Asmat of Kamoro deze culturen als vanzelf onze waardering delen.
Is erfgoed daarmee onvergankelijk in onze cultuur? Nee, het is onderhevig aan vraag en aanbod. Als de museale depots volraken en de fondsen voor meer depotruimte ontbreken moet ook het meest zorgvuldige museum ontzamelen. Dat wat niet langer in de publieke belangstelling staat is het eerste slachtoffer. En dat komt ironisch genoeg bekend voor. Zolang wij – of het nu vanuit culturele of Culturele gronden is – dingen bewaren zal ook tijdsgebonden kunst bewaard worden. Ik ben uit geheel persoonlijke (en waarschijnlijk egoïstische) motieven blij dat bisjpalen wat duurzamer zijn gebleken tot nu toe dan pindakaas.