Het Instituut Collectie Nederland heeft de Collectiebalans Moderne Kunst gepresenteerd aan vertegenwoordigers van musea voor moderne kunst. De collectiebalans is een database waarmee cijferanalyses mogelijk zijn van de collectiegroei musea voor moderne kunst. De musea zijn van mening dat het ICN de collectiebalans verder moet ontwikkelen en daarvoor steun moet verwerven bij het RKD, de Mondriaan Stichting, het Ministerie en de Museumvereniging. Hier ligt een mooie nieuwe taak voor de programmagroep Museometrie.
De afgelopen maanden hebben we vanuit het ICN ca. 75 musea met een relevante collectie moderne kunst benaderd met het verzoek de verwervingsgegevens moderne kunst van de laatste 10 jaar aan te leveren. Hierop is veel respons gekomen. De gegevens van de afzonderlijke musea zijn in een database samengevoegd. Op dinsdag 2 februari j.l. vond de eerste van twee presentaties van de concept-database Collectiebalans Moderne Kunst plaats in het gebouw van het ICN aan de Gabriël Metsustraat in Amsterdam.
Hieronder een verslag van de eerste bijeenkomst.
Frank Bergevoet, Programmaleider Museometrie, stelt allereerst de vraag waarom deze database Collectiebalans Moderne Kunst is opgemaakt. Hij geeft aan dat dit natuurlijk is omdat onderzoekers nu eenmaal uit nieuwsgierigheid dingen willen weten. Belangrijk is vooral te weten wat er mogelijk is met diverse gegevens van musea, hoe je die dient te verzamelen en te interpreteren en wat je daaruit kunt concluderen. Ook al omdat er nog geen verhelderend overzicht lijkt te bestaan van de Collectie Nederland Moderne Kunst is de database een aanzet:wat er is aangekocht, in aantallen, soort, materiaal, aankoopbedrag, maker.
Doel van zo’n inventarisatie, volgens Arjen Kok, projectleider Collectiebalans Moderne Kunst, is het kunnen doen van gefundeerde uitspraken over de huidige en mogelijke ontwikkelingen. Hij geeft aan dat het onderzoek beperkt is tot beeldende kunst, van 1880 tot nu en daarvan de afgelopen tien jaar, waarmee toegepaste kunst buiten beschouwing gelaten is. Daarbij is gevraagd naar de verwervingen (aankopen, schenkingen, langdurige bruiklenen, legaten).
Wat eveneens bleek uit dit onderzoek is dat er betrokkenheid is van zowel directie als registrator. Daarin hebben we te maken met uiteenlopende situaties bij de verschillende musea, waarbij het niveau nogal kan wisselen. Misschien niet zo verwonderlijk, maar wel goed om rekening mee te houden.
Enkele cijfers illustreren het verloop van het onderzoek: van de benaderde musea leverde 62% zelf de gegevens aan. Deels als excel bestand (45%) als export van de database, 32% als word-document en 23 % als pdf, xml of zelfs gewoon geprint. Dat geeft natuurlijk problemen met het verwerken van deze gegevens. Opnieuw beginnen, met een nieuwe informatie architectuur, export en normalisatie van de gegevens ligt dan voor de hand. Zo’n standaardisatie kan liefst ontwikkeld worden mbv martktpartijen.
Niettemin zijn er heel wat interessante gegevens uit deze pilot naar voren gekomen. Waar aanvankelijk 1595 verschillende soorten techniek uit de gegevens naar voren kwamen, bleven er na correctie nog 10 clusters over. Gekeken naar de technieken die door musea verzameld worden komt daar grosso modo het volgende uit: werk op papier 13.669, schilderkunst 3.774, onbekend ruim 3000. Dit heeft onder andere consequenties voor de conservering van de werken en wat daarvoor nodig is.
Ander interessant gegeven dat nu uit de cijfers blijkt, is bijvoorbeeld dat 33% van de aankopen contemporaine werken betreft en retrospectief 67%; zeker ook belangwekkend voor de betrokken kunstenaars, die voor inkomensvorming mede afhankelijk zijn van het aankoopbeleid van musea.
Zo blijkt dat op basis van cijfers veel gegevens, die we uit ervaring wel kennen, veel nadrukkelijker naar voren komen. Maar ook nieuwe inzichten worden hierdoor aan het licht gebracht. Frank Bergevoet zet het nut van de cijfers nog even op een rijtje:
- onderlinge vergelijking wordt mogelijk ten opzichte van gemiddelden (zet dit af tegen bijvoorbeeld registratie capaciteit en allerlei vergezichten dienen zich aan)
- positiebepaling
- collectiemobiliteit, selecteren en afstoten, uitwisseling van kunstwerken en kennis wordt beter mogelijk
- toekomstvoorspellingen (collectiegroei, conserveringsbehoeften), dit kan beter worden ingeschat.
- verdeling van aandacht (collectie opbouw) wordt inzichtelijk gemaakt
- eventuele lacunes tonen zich
- Spiegel om tot professionalisering en normering te komen
Er zit veel management informatie in de collectieregistratiesystemen die er nu niet uitgehaald wordt.
Het tweede deel van de bijeenkomst was ingericht voor vragen en discussie. Dat de aanwezigen zeer betrokken waren bij dit onderwerp kwam uit de vele opmerkingen en vragen naar voren. Er werd bijvoorbeeld gezegd dat de Fondsen graag willen weten wat zich waar bevindt. Dat is natuurlijk ook de vraag van musea. Het organiseren en onderling afstemmen van aankopen is daarmee gediend. Daar werd tegenin gebracht dat musea dit meestal al vrij goed weten. Dus is het van belang om te weten, wat voor informatie musea juist kunnen gebruiken om beleid te ontwikkelen.
Nu ontwikkelen we in Nederland de Collectiebalans en we zien de noodzaak voor bestendiging ervan. Door meer data te verzamelen, opdat er meer en betere dwarsverbanden gelegd kunnen worden, door deze data toegankelijk te maken en meer musea over te halen hieraan bijdragen te leveren, beter te registreren, etc.. Bibliotheken hebben veel ervaring. Gesteld dat zo’n makkelijk raadpleegbare en actuele database er komt, wie bekostigt dat en waar moet je zoiets onderbrengen? Zou de NMV, en dan met name de sectie SIMIN daarvoor de aangewezen partij zijn? Of de RKD? We kunnen het erover eens zijn dat zo’n project levensvatbaar wordt als 1 of 2 grote partners meedoen en de kar willen trekken. Frank Bergevoet benadrukt dat het ICN hierin wel een aanzet wil geven, zoals nu al is gebeurd met de Collectiebalans, maar zelf onvoldoende middelen heeft en niet tot in lengte der jaren dit project wil leiden; dat moet toch vooral vanuit de sector komen. Er werd door de aanwezigen gesuggereerd dat we er misschien voor kunnen zorgen dat we vanuit het ministerie die opdracht krijgen.
De tweede bijeenkomst vindt plaats op 16 februari a.s. Ook tijdens deze bijeenkomst willen we aan de hand van dit overzicht graag de volgende punten met u bespreken:
- Resultaten invoer collectiegegevens
- Verwachtingen
- Vragen en reacties
- Stap naar de toekomst: technisch beheer en betrokkenheid
U bent van harte welkom deze bijeenkomst bij te wonen. U kunt zich opgeven door een e-mail te sturen naar monique.de.louwere @ icn.nl. Vermeld daarbij s.v.p. duidelijk uw naam en instelling/organisatie.

Trilce
2 jaren geleden
Something interesting worth noting is that of the 12 museums present at this first meeting, nobody volunteered to make a core-working group and several had not contributed data (due to various reasons, limited resources and skepticism). There is interest in the museometrie project but an active group is needed to lead. Perhaps starting with an example (the best practice, some volunteering institutions) would inspire others to join.
During the discussion, participating museums further voiced their interest to access the gathered data on-line to museums – though with proper security measures (not everybody wants to share all the data, financial information remains sensitive data). Data is perceived useful to to know who has what (and what to acquire or not), to work together (exhibition development), for comparison, for analysis (to evaluate acquisitions per type object). This data is also interesting for policy making, for better management, and ‘to convince that we need an acquisitions budget’. Meten is weten. Sharing such data can support increase transparency in the field. One museum found that it surprising to see the average price of art acquired. Does art cost so little?
Another participant compared data gathered during the Delta Plan: when a lot of data was reported for digitization reason and not satisfying the desired quality control. If data is to be used for another reason, data needs to be clearly reviewed to have ‘good’ data (reliable, valid, correct, complete, actual, verifiable, integral, relevant). Some of the old data requires extra translation – what if objects are acquired in a ‘bad’ way? This responsibility of reporting data can show a lot of things, it is important to have data be right, but also for data to be ‘good’.
Clearly, there is a lot of information already in museums’ databases that does not gets used !
I see the most important benefit from having a structural data gathering project is to relate investment to benefits (cost to access). All the work being done can be better translated to a lot of heritage being used in all sort of different ways.
Theo Meereboer
2 jaren geleden
@Trilce: dank je wel voor je uitgebreide reactie! De vraag blijft dan toch, zoals je aangeeft, hoe we de juiste informatie uit al die (verschillende) databases kunnen krijgen.